Johannes 18 telt 40 verzen en volgt de nacht van de arrestatie: Jezus gaat met Zijn discipelen over de beek Kedron naar de hof, Judas komt daar met de bende en de dienaars, Petrus trekt het zwaard, en na de verhoren bij Annas en Kajafas staat Jezus voor Pilatus. Intussen ontkent Petrus driemaal dat hij Hem kent.
Opvallend is wie de regie heeft. Jezus gaat de soldaten tegemoet met de vraag 'Wien zoekt gij?' (vers 4), en bij Zijn antwoord 'Ik ben het' wijken zij achteruit en vallen ter aarde (vers 6). Bij Pilatus eindigt het hoofdstuk met twee zinnen die zijn blijven hangen: 'Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld' (vers 36) en 'Wat is waarheid?' (vers 38). De volledige tekst leest u in de Statenvertaling op Johannes 18.
De Statenvertaling gebruikt in dit hoofdstuk enkele verouderde vormen: zij spreekt van de beek Kedron, van dienaars en van een oor dat wordt afgehouwen. Wilt u die bewoording naast de Herziene Statenvertaling leggen, dan leest u op de pagina over de Herziene Statenvertaling waarin die vertaling verschilt.
Wie sneed het oor van de man af in de Bijbel?
Dat was Petrus, en het gebeurde in de hof, op het moment van de arrestatie.
Johannes is de enige evangelist die beide namen noemt: 'Simon Petrus dan, hebbende een zwaard, trok hetzelve uit, en sloeg des hogepriesters dienstknecht, en hieuw zijn rechteroor af. En de naam van den dienstknecht was Malchus' (vers 10). Het ging dus om het rechteroor van Malchus, een knecht van de hogepriester.