Titus 2 is het middelste hoofdstuk van Paulus' brief aan Titus en telt vijftien verzen. Het opent met de opdracht 'Doch gij, spreek hetgeen der gezonde leer betaamt' (vers 1) en loopt uit op de bekendste zin van de hele brief: 'Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen' (vers 11). Daartussen staan aanwijzingen per groep: de oude mannen (vers 2), de oude vrouwen (vers 3), de jonge vrouwen (vers 4 en 5), de jonge mannen (vers 6), Titus zelf (vers 7 en 8) en de dienstknechten (vers 9 en 10).
Titus 2 in de Statenvertaling: oude woorden, gewone betekenis
Wie Titus 2 in de Statenvertaling leest, komt woorden tegen die vandaag anders klinken dan ze bedoeld zijn. Vers 2 vraagt van de oude mannen dat zij 'nuchter zijn, stemmig, voorzichtig, gezond in het geloof, in de liefde, in de lijdzaamheid'. 'Stemmig' betekent hier eerbaar, 'voorzichtig' betekent bezonnen, en 'lijdzaamheid' is volharding: het geduldig volhouden onder tegenslag. In vers 10 moeten de dienstknechten de leer van God 'versieren', dat wil zeggen: er met hun gedrag een sieraad voor zijn. En het 'matig' van vers 6 en vers 12 gaat niet alleen over eten en drinken, maar over zelfbeheersing in het algemeen. Nieuwere vertalingen, waaronder de Herziene Statenvertaling, kiezen voor die hedendaagse woorden; aan de strekking van het hoofdstuk verandert dat niets. De volledige hoofdstuktekst in de Statenvertaling staat op Titus 2, en over de HSV als vertaling leest u meer op de pagina over de Herziene Statenvertaling.