De Engel van de HEER bij Bochim (vers 1-5)
Richteren 2 begint met een dramatische ontmoeting tussen de Engel van de HEER en het volk Israël bij Bochim. Deze goddelijke boodschapper herinnert het volk aan Gods trouw aan Zijn verbond: "Ik heb jullie uit Egypte weggeleid en jullie gebracht naar het land dat Ik aan jullie voorvaderen beloofd heb." Deze woorden verwijzen naar de fundamentele beloften die God aan Abraham, Izaäk en Jakob had gedaan.
De Engel confronteert Israël echter ook met hun ongehoorzaamheid. Zij hadden Gods gebod overtreden om geen verbonden te sluiten met de bewoners van het land en hun altaren te vernietigen. Deze ongehoorzaamheid zou gevolgen hebben: de Kanaänieten zouden doornen in hun zijden worden en hun goden zouden een strik voor hen zijn.
De reactie van het volk is intens - zij beginnen hardop te wenen, waardoor de plaats Bochim ("de wenenden") wordt genoemd. Dit toont zowel berouw als het besef van de ernst van hun situatie.
Joshua's Dood en Erfenis (vers 6-10)
De verteller keert terug naar de tijd van Joshua's dood om de overgang te schetsen. Onder Joshua's leiderschap diende Israël de HEER trouw. Joshua wordt geëerd als "de knecht van de HEER" en krijgt een eervolle begrafenis in zijn eigen erfenis.