Inleiding tot Psalm 79
Psalm 79 is een van de meest aangrijpende klaagpsalmen in het Bijbelboek Psalmen. Deze psalm van Asaf werd geschreven tijdens of na een periode van grote nationale ramp, waarschijnlijk de verwoesting van Jeruzalem en de tempel door de Babyloniërs in 586 v.Chr. De psalm geeft uitdrukking aan de diepe smart van het volk van God over de vernietiging van hun heilige stad.
Structuur en Opbouw van Psalm 79
De psalm bestaat uit drie hoofddelen:
- Vers 1-4: Beschrijving van de verwoesting
- Vers 5-7: Smeekbede om Gods wraak
- Vers 8-13: Verzoek om vergeving en herstel
De Verwoesting Beschreven (vers 1-4)
De psalm begint met een hartverscheurende beschrijving: "O God! Heidenen zijn gekomen in Uw erfenis; zij hebben den tempel Uwer heiligheid verontreinigd; zij hebben Jeruzalem tot steenhopen gesteld" (vers 1). De psalmist gebruikt krachtige beelden om de totale vernietiging weer te geven. De tempel, Gods heilige woonplaats, is ontheiligd. Jeruzalem ligt in puin.
De verzen 2-3 beschrijven het lot van Gods volk: "Zij hebben de dode lichamen Uwer knechten aan het gevogelte des hemels tot spijs gegeven; het vlees Uwer gunstgenoten aan het gedierte des lands" (vers 2). Deze gruwelijke beschrijving toont de diepte van de ramp aan. Niet alleen zijn de gebouwen vernietigd, maar ook het volk heeft zwaar geleden.
Smeekbede om Goddelijke Wraak (vers 5-7)
In vers 5 roept de psalmist uit: "Hoe lang, HEERE? Zult Gij eeuwiglijk toornen? Zal Uw ijver als vuur branden?" Deze vraag weerspiegelt de wanhoop van het volk. Ze begrijpen dat Gods toorn gerechtvaardigd is, maar smeken om een einde aan het lijden.