Inleiding tot Psalm 80
Psalm 80 is een aangrijpende gemeenschapsklacht waarin het volk van Israël God smeekt om herstel en redding. Deze psalm, toegeschreven aan Asaf, gebruikt krachtige beeldspraak om Gods relatie met zijn volk te beschrijven en roept Hem op als de herder en verzorger van Israël.
In de Statenvertaling is het opschrift ("Voor den opperzangmeester, op Schoschannim; een getuigenis, een psalm van Asaf.") vers 1. Daardoor ligt elk versnummer op deze pagina één hoger dan in Engelse bijbels, die het opschrift niet meetellen.
De Oproep tot God als Herder (vers 2-4)
De psalm begint met een directe oproep: "O Herder Israëls! neem ter ore". Deze titel benadrukt Gods zorgzame leiderschap over zijn volk. De psalmist roept God aan, "Die tussen de cherubim zit", verwijzend naar Gods aanwezigheid boven de ark des verbonds in de tempel. De vermelding van Efraïm, Benjamin en Manasse - stammen uit het noordelijke koninkrijk - suggereert dat deze psalm mogelijk geschreven werd tijdens of na de val van het noordelijke koninkrijk Israël.
Het eerste refrein in vers 4 vormt de kern van de hele psalm: "O God! breng ons weder, en laat Uw aanschijn lichten, zo zullen wij verlost worden." Dit gebed om herstel weerklinkt als een rode draad door de psalm.
Gods Toorn en Israëls Lijden (vers 5-8)
In verzen 5-8 beschrijft de psalmist de huidige situatie: God lijkt boos te zijn, zelfs op de gebeden van zijn volk. Het beeld van "tranenbrood" en "tranen uit een drieling", een volle maat tranen, toont de diepte van het verdriet. Israël is verworden tot een "twist" voor de buren - ze worden bespot en veracht. Het tweede refrein in vers 8 herhaalt de smeekbede om herstel.