Inleiding tot Psalm 138
Psalm 138 is een prachtige dankpsalm die wordt toegeschreven aan koning David. Deze psalm straalt dankbaarheid uit en toont een diep vertrouwen in Gods karakter en beloften. De psalm bestaat uit acht verzen die samen een krachtige boodschap vormen over Gods trouw, grootheid en zorg voor Zijn volk.
Dankbaarheid van Harte (vers 1-2)
David begint zijn psalm met een persoonlijke en hartelijke dankzegging: "Ik zal U loven met mijn ganse hart." Het Hebreeuwse woord voor 'hart' (leb) verwijst naar het innerlijke wezen van de mens - zijn emoties, gedachten en wil. David houdt niets achter in zijn dankbaarheid.
Opvallend is dat David zegt te zullen zingen "voor de goden" (elohim). Dit kan verwijzen naar hemelse wezens of naar heidense goden, waarbij David benadrukt dat alleen de HEERE de ware God is. In vers 2 buigt hij neer naar Gods heilige tempel, wat wijst op eerbied en aanbidding.
Davids dankbaarheid richt zich specifiek op Gods "goedertierenheid" (chesed) en "waarheid" (emet). Deze twee begrippen vormen de kern van Gods verbondskarakter - Zijn onvoorwaardelijke liefde en Zijn betrouwbaarheid.
Gods Verheerlijkte Naam en Woord (vers 2b)
Een bijzonder vers is 2b: "Want Gij hebt Uw naam groot gemaakt boven alles door Uw woord." God heeft Zijn naam - Zijn karakter en reputatie - verheerlijkt door Zijn woord waar te maken. Dit spreekt van Gods betrouwbaarheid in het nakomen van Zijn beloften.