Inleiding tot Psalm 133
Psalm 133 is een van de korte maar krachtige psalmen van David die de schoonheid van eenheid en broederschap bezingt. Deze psalm maakt deel uit van de 'pelgrimsliederen' (psalmen 120-134) die gezongen werden tijdens de reis naar Jeruzalem voor de grote feesten. Met slechts drie verzen vat David de essentie samen van wat het betekent om in harmonie samen te leven.
Vers 1: De vreugde van eenheid
'Ziet, hoe goed en hoe liefelijk is het, dat broeders ook samenwonen.' Dit openingsvers drukt verwondering uit over de schoonheid van eenheid. Het Hebreeuwse woord 'tov' (goed) en 'na'im' (lieflijk) benadrukken zowel de morele waarde als de esthetische schoonheid van harmonie tussen mensen.
De term 'broeders' (achim) verwijst niet alleen naar biologische broers, maar naar alle mensen die tot Gods volk behoren. In de context van Israël betrof dit de stammen die samen naar Jeruzalem kwamen voor de feesten, maar de toepassing reikt veel verder.
Vers 2: De kostbare olie vergelijking
'Het is, gelijk de kostelijke olie op het hoofd, nederdalende op den baard, den baard van Aaron, die nederdaalt tot op den zoom zijner klederen.' Deze beeldrijke vergelijking verwijst naar de zalving van de hogepriester Aäron (Exodus 29:7).
De heilige zalfolie was kostbaar en symboliseerde Gods zegen en aanstelling. Wanneer eenheid heerst, verspreidt Gods zegen zich net zoals de olie zich van het hoofd naar beneden verspreidt. De olie die tot aan de zoom van Aärons gewaden neerdaalt, toont hoe diepgaand en alomvattend de zegen van eenheid is.