Psalm 132 telt achttien verzen en is het langste van de vijftien liederen Hammaaloth (Psalm 120 tot 134), de liederen die pelgrims onderweg naar Jeruzalem zongen. De Statenvertaling opent met 'Een lied Hammaaloth. O HEERE! gedenk aan David, aan al zijn lijden' (vers 1) en eindigt met een belofte over Davids huis: 'Ik zal zijn vijanden met schaamte bekleden; maar op hem zal zijn kroon bloeien' (vers 18).
Psalm 132 in de Statenvertaling: Hammaaloth, Efratha en de velden van Jaar
Het opschrift 'Een lied Hammaaloth' is geen titel maar een Hebreeuwse aanduiding, sjier hammaäloth: lied van de opgangen. Nieuwere vertalingen zetten daar 'pelgrimslied' of 'bedevaartslied'. Het woord 'lijden' in vers 1 staat voor alle moeite die David zich voor de ark getroostte, niet voor ziekte of verdriet.
Vers 6 noemt twee plaatsen: 'Ziet, wij hebben van haar gehoord in Efratha; wij hebben haar gevonden in de velden van Jaar.' Dat zijn niet twee namen voor hetzelfde. Efratha is de streek rond Bethlehem, Davids eigen geboortegrond, waar het bericht over de ark hem bereikte; 'de velden van Jaar' is Kirjath-Jearim, waar de ark twintig jaar had gestaan (1 Samuel 7:2) voordat David haar naar Jeruzalem haalde. De volledige psalm in de Statenvertaling staat op Psalm 132.
Inleiding tot Psalm 132
Psalm 132 is een van de vijftien liederen Hammaaloth (Psalm 120-134) die pelgrims zongen op weg naar Jeruzalem. Deze psalm verbindt op prachtige wijze Davids persoonlijke toewijding aan God met Gods eeuwige beloften aan David en de verkiezing van Jeruzalem als Gods heilige stad.