Inleiding tot Openbaring 2
Openbaring hoofdstuk 2 bevat de eerste vier van de zeven brieven die Jezus Christus dicteert aan de apostel Johannes voor de kerken in Klein-Azië. Deze brieven, gericht aan Efeze, Smyrna, Pergamon en Thyatira, tonen zowel lof als correctie voor deze vroegchristelijke gemeenschappen. Elke brief volgt een vast patroon: Jezus stelt zichzelf voor, geeft lof waar gepast, uit kritiek waar nodig, roept op tot verandering, en belooft zegeningen aan degenen die overwinnen.
De Brief aan Efeze (vers 1-7)
De eerste brief is gericht aan de kerk in Efeze, een belangrijke havenstad en centrum van de Artemis-cultus. Jezus presenteert zichzelf als degene "die de zeven sterren in zijn rechterhand houdt en wandelt tussen de zeven gouden kandelaren." Hij prijst de Efeziërs voor hun harde werk, volharding en onderscheidingsvermogen - zij hebben valse apostelen ontmaskerd en niet toegegeven aan vermoeidheid.
De kritiek is echter diepgaand: "Maar ik heb tegen u dat u uw eerste liefde hebt verlaten" (vers 4). De gemeenschap was theologisch correct maar had haar hartstocht voor Christus verloren. Jezus roept hen op zich te bekeren en terug te keren tot hun eerste daden, anders zal Hij hun kandelaar wegnemen.