Openbaring 3, in het Nederlands ook wel als Openbaringen 3 gespeld, bevat de laatste drie van de zeven brieven die Christus aan de gemeenten in Klein-Azie dicteert. Sardis, ook wel Sardes genoemd, heeft "den naam ... dat gij leeft, en gij zijt dood" (vers 1). Filadelfia heeft kleine kracht en krijgt "een geopende deur ... en niemand kan die sluiten" (vers 8). Laodicea is lauw en meent rijk te zijn (vers 15-17). Het hoofdstuk eindigt met het bekendste vers, Openbaring 3:20: "Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop." Hieronder leest u de uitleg per brief.
Wat betekent Openbaring 3:20?
Openbaring 3:20 luidt in de Statenvertaling: "Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop; indien iemand Mijn stem zal horen, en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij."
Het vers wordt vaak los gelezen als een uitnodiging aan iemand die nog niet gelooft. In zijn eigen verband is het dat niet. Christus staat hier aan de deur van een gemeente die zichzelf rijk noemt en Hem buiten heeft gelaten. De brief aan Laodicea is de enige van de zeven waarin Hij niets te prijzen vindt, en juist daar klopt Hij aan. Dat maakt het vers eerder scherper dan zachter: wie meent Hem allang binnen te hebben, blijkt Hem alsnog te moeten binnenlaten.
Het beeld van het avondmaal houden versterkt dat. Samen eten was in de eerste eeuw geen losse maaltijd, maar een teken van aanvaarding en gemeenschap.
Christus vraagt geen prestatie, Hij vraagt toegang. Hij dwingt de deur ook niet open. Hij klopt, en Hij wacht op wie Zijn stem hoort.