Inleiding tot Nehemia 4
Nehemia hoofdstuk 4 toont ons een krachtig voorbeeld van hoe Gods volk kan omgaan met tegenstand en weerstand. Terwijl de herbouw van Jeruzalems muur vordert, worden Nehemia en zijn medewerkers geconfronteerd met toenemende vijandschap van buitenaf. Dit hoofdstuk laat zien hoe gebed, praktische wijsheid en volharding samengaan in het uitvoeren van Gods werk.
De Spot en Tegenstand Begint (Nehemia 4:1-6)
Het hoofdstuk opent met de woede van Sanballat, de Horoniet, wanneer hij hoort dat de muur wordt herbouwd. Samen met Tobia de Ammoniet begint hij te spotten met de Joden. Hun spot is venijnig en gericht op het ondermijnen van het moreel: "Wat doen die armzalige Joden? Willen zij het herstellen? Willen zij offers brengen? Zullen zij het op één dag voltooien? Zullen zij de stenen doen herleven uit de ashopen, daar zij verbrand zijn?"
Tobia voegt daar nog aan toe: "Wat zij ook bouwen, als een vos erop springt, zal hij hun stenen muur omverwerpen!" Deze woorden waren bedoeld om twijfel te zaaien over de haalbaarheid van het project.
Nehemia's reactie is exemplarisch: hij wendt zich in gebed tot God (vers 4-5). In plaats van zelf wraak te nemen of in discussie te gaan, legt hij de zaak voor aan de Heer. Dit toont zijn vertrouwen dat God Zich zal ontfermen over Zijn volk en recht zal doen.
Onder Gods zegen gaat het werk door. Vers 6 meldt dat "de hele muur werd samengevoegd tot de helft van haar hoogte, want het volk had hart voor het werk."