Inleiding tot Jeremia 23
Jeremia hoofdstuk 23 is een krachtig gedeelte waarin God door de profeet spreekt over slechte leiders, valse profeten en tegelijkertijd een prachtige belofte geeft over de komende Messias. Dit hoofdstuk vormt een belangrijk onderdeel van Jeremia's boodschap aan Juda vlak voor de Babylonische ballingschap.
Oordeel over de slechte herders (vers 1-4)
Het hoofdstuk begint met een scherpe aanklacht tegen de 'herders' van Israël - de politieke en religieuze leiders die het volk hadden moeten leiden. God noemt hen 'herders die mijn kudde verderven en verstrooien'. Deze beeldspraak van herder en kudde was in het oude Nabije Oosten een veelgebruikte metafoor voor koningen en hun volk.
De herders hadden gefaald in hun verantwoordelijkheid:
- Ze hadden niet gezorgd voor het volk
- Ze hadden de 'schapen' laten verstrooien
- Ze hadden hen niet bezocht of beschermd
God belooft dat Hij zelf deze slechte herders zal bestraffen en dat Hij andere herders zal aanstellen die wel trouw zullen zorgen voor Zijn volk.
De belofte van de Rechtvaardige Spruit (vers 5-6)
In deze donkere tijd van oordeel geeft God een lichtpunt van hoop. Hij belooft dat er 'dagen komen' waarin Hij 'voor David een rechtvaardige Spruit zal doen opkomen'. Deze profetie is een van de duidelijkste messiaanse voorspellingen in het Oude Testament.