Inleiding tot Jeremia 2
Jeremia hoofdstuk 2 vormt het hart van Gods aanklacht tegen zijn volk Israël. In dit krachtige hoofdstuk gebruikt God beeldspraken van huwelijk en overspel om de geestelijke toestand van zijn volk te beschrijven. Het is een aangrijpende oproep tot inkeer die tot vandaag relevant blijft.
Israëls Vroegere Trouw (Jeremia 2:1-3)
God begint met een herinnering aan betere tijden: "Ik herinner mij de toewijding van je jeugd, de liefde van je bruidstijd." Israël wordt vergeleken met een jonge bruid die vol liefde haar man volgde, zelfs door de woestijn. Deze verzen tonen Gods tedere liefde en nostalgie naar de tijd dat zijn volk hem trouw volgde.
De woestijnreis symboliseert een periode van totale afhankelijkheid van God. Israël was toen "heilig voor de HEERE, de eersteling van zijn oogst." Dit betekent dat zij een bijzondere, afgescheiden positie hadden als Gods uitverkoren volk.
Gods Goedheid en Israëls Ondankbaarheid (Jeremia 2:4-8)
God stelt de retorische vraag: "Welk onrecht hebben jullie voorvaderen bij mij gevonden, dat zij zich zo ver van mij verwijderd hebben?" Deze vraag onderstreept de irrationele keuze van Israël om God te verlaten. God had hen uit Egypte bevrijd, door de woestijn geleid, en in het Beloofde Land gebracht.