Inleiding: Gods onvoorwaardelijke liefde
Jeremia hoofdstuk 3 toont op indringende wijze Gods hart voor Zijn volk. Ondanks hun herhaaldelijke ontrouw blijft God trouw en roept Hij Zijn volk op tot bekering. Dit hoofdstuk gebruikt krachtige beeldspraak om de relatie tussen God en Israël te beschrijven.
Het beeld van het huwelijk (verzen 1-5)
Jeremia begint met een juridische metafoor uit het huwelijksrecht. Volgens de Mozaïsche wet kon een man zijn gescheiden vrouw niet terugnemen als zij hertrouwd was (Deuteronomium 24:1-4). Maar God, de trouwe echtgenoot, is bereid Israël terug te nemen ondanks hun 'geestelijk overspel' - hun aanbidding van afgoden.
De profeet beschrijft hoe Israël 'op elke hoge heuvel en onder elke groene boom' afgoderij pleegde. Dit verwijst naar de Kanaänitische cultusplaatsen waar vruchtbaarheidsrituelen werden uitgevoerd. Gods vraag in vers 4 - 'Roept gij Mij niet toe: Mijn Vader!' - toont Zijn verlangen naar een herstelde relatie.
Vergelijking tussen Noord-Israël en Juda (verzen 6-11)
God vraagt Jeremia om de situatie van Noord-Israël (hier 'het afvallige Israël' genoemd) en Juda te vergelijken. Noord-Israël was al in 722 v.Chr. door de Assyriërs weggevoerd vanwege hun ontrouw. Juda had dit kunnen leren van hun noordelijke broeders, maar in plaats daarvan werden zij nog erger in hun afgoderij.