De Klacht van Habakuk (Habakuk 1:1-4)
Habakuk hoofdstuk 1 begint met een van de meest eerlijke en aangrijpende klachten in de Bijbel. De profeet Habakuk richt zich rechtstreeks tot God met vragen die vele gelovigen door de eeuwen heen hebben gesteld: "Waarom laat U onrecht toe?" en "Waarom antwoordt U niet op onze gebeden?"
In vers 2-3 zien we Habakuk's frustratie: "Hoe lang, HEERE, roep ik al om hulp, en U hoort niet! Ik roep tot U: Geweld! En U helpt niet. Waarom laat U mij onrecht zien en ziet U lijden aan? Want verwoesting en geweld zijn voor mijn ogen, en er is twist, en er verheft zich strijd." Deze woorden weerspiegelen de situatie in Juda rond 609-598 v.Chr., waarin sociale onrechtvaardigheid, corruptie en geweld de overhand hadden.
Habakuk klaagt dat de wet krachteloos is geworden en dat de rechtvaardige wordt omsingeld door de goddeloze (vers 4). Dit toont aan dat Gods volk zelf was vervallen tot onrechtvaardigheid.
Gods Verrassende Antwoord (Habakuk 1:5-11)
Gods reactie in vers 5-11 is verrassend en schokkend. Hij kondigt aan dat Hij iets zal doen dat zo ongelooflijk is dat Habakuk het niet zou geloven als het hem werd verteld. God zal de Babyloniërs (Chaldeeën) opwekken als Zijn instrument van oordeel tegen Juda.
De beschrijving van de Babyloniërs in vers 6-10 is indrukwekkend en angstaanjagend. Zij worden beschreven als een "bitter en haastig volk" dat "breder trekt dan de aarde" om bezittingen in te nemen die niet van hen zijn. Hun paarden zijn sneller dan luipaarden en grimmiger dan avondwolven. Zij bespotten koningen en maken zich vrolijk over vestingen.