Inleiding tot Ezra 4
Ezra hoofdstuk 4 toont ons een keerpunt in het verhaal van de wederopbouw van de tempel in Jeruzalem. Na de vreugdevolle start in hoofdstuk 3 wordt de Joodse gemeenschap geconfronteerd met ernstige tegenstand van buitenaf. Dit hoofdstuk laat zien hoe externe oppositie het werk van God kan vertragen, maar nooit definitief kan stoppen.
Valse Hulp en Echte Bedoelingen (vers 1-5)
Het hoofdstuk begint met een schijnbaar vriendelijk aanbod. De vijanden van Juda en Benjamin benaderen Zerubbabel en de familiehoofden met de woorden: "Laat ons met jullie meebouwen, want wij zoeken jullie God, net als jullie." Dit aanbod lijkt oprecht, maar verbergt gevaarlijke bedoelingen.
De leiders van Israël, onder leiding van Zerubbabel, Jesua en de andere familiehoofden, tonen wijsheid door dit aanbod af te wijzen. Ze antwoorden: "Het is niet aan jullie en ons om samen een huis voor onze God te bouwen. Wij alleen zullen bouwen voor de HEER, de God van Israël." Deze reactie toont hun begrip dat Gods werk gedaan moet worden volgens Gods voorschriften, niet door compromissen met ongelovigen.
De afwijzing leidt tot openlijke vijandschap. De omringende volken proberen het volk van Juda te ontmoedigen en hun handen slap te maken. Ze huren zelfs raadgevers in om hun plannen te dwarsbomen, en dit duurt voort tijdens de hele regeerperiode van Cyrus tot aan de regering van Darius.