Het herstel van het altaar (Ezra 3:1-6)
Ezra hoofdstuk 3 opent met een krachtige beschrijving van hoe de teruggekeerde ballingen hun eerste prioriteit stellen: het herstel van de aanbidding van God. Wanneer de zevende maand aanbreekt - de maand van belangrijke Joodse feesten - komen de Israëlieten bijeen in Jeruzalem als één man.
Zerubbabel, zoon van Sealtiel, en Jesua de hogepriester nemen het initiatief om het altaar van de God van Israël op te bouwen. Dit is geen willekeurige actie, maar gebeurt 'zoals geschreven staat in de wet van Mozes, de man Gods' (vers 2). Ze volgen nauwgezet de instructies die God eeuwen eerder had gegeven.
Opvallend is dat ze het altaar oprichten 'op zijn plaats' (vers 3), ondanks de vrees voor de volkeren rondom hen. Deze moed toont hun vertrouwen op God en hun vastberadenheid om Hem te eren, zelfs in moeilijke omstandigheden. Ze hervatten de dagelijkse brandoffers, zowel 's morgens als 's avonds, en vieren de belangrijke feesten zoals het Loofhuttenfeest.
De voorbereidingen voor de tempelbouw (Ezra 3:7-9)
Na het herstel van de offers richten de Israëlieten zich op de wederopbouw van de tempel zelf. Ze tonen wijsheid door gebruik te maken van de ervaring en materialen die beschikbaar zijn. Geld wordt gegeven aan metselaars en timmerlieden, terwijl eten, drank en olie worden geruild voor cederhout uit Libanon.