Inleiding tot 2 Kronieken 19
2 Kronieken hoofdstuk 19 beschrijft een keerpunt in het leven van koning Josafat van Juda. Na zijn controversiële alliantie met de goddeloze koning Achab van Israël (hoofdstuk 18), confronteert God Josafat met zijn fouten en gebruikt Hij deze ervaring om belangrijke hervormingen te bewerkstelligen.
Gods Berisping door Profeet Jehu (vers 1-3)
Het hoofdstuk begint met de profeet Jehu, zoon van Hanani, die Josafat tegemoet gaat met een scherpe berisping: "Behoort gij den goddeloze te helpen, en lief te hebben, die den HEERE haten?" (vers 2). Deze confrontatie toont Gods heiligheid en Zijn afkeer van compromissen met het kwaad.
De berisping is echter niet zonder hoop. Jehu erkent dat er "goede dingen" in Josafat gevonden worden omdat hij de Asjera's uit het land heeft weggedaan en zijn hart heeft gericht om God te zoeken (vers 3). Dit toont Gods genade - Hij berispt om te herstellen, niet om te veroordelen.
Josafats Geestelijke Heroriëntatie (vers 4)
Na deze profetische correctie onderneemt Josafat concrete actie. Vers 4 vertelt ons dat hij "wederom onder het volk" ging, "van Ber-Seba tot het gebergte van Efraïm", en hen "bekeerde tot den HEERE, den God hunner vaderen." Dit toont waar leiderschap: Josafat neemt verantwoordelijkheid en zorgt dat zijn persoonlijke hernieuwing zich uitbreidt naar het hele volk.