De tekst van 2 Koningen 16:11
2 Koningen 16:11 luidt: 'De priester Uria bouwde het altaar; naar alles wat koning Achaz uit Damascus had opgezonden, zo maakte de priester Uria het, tegen de tijd dat koning Achaz uit Damascus kwam.'
Historische context van het vers
Dit vers speelt zich af tijdens het bewind van koning Achaz van Juda (ca. 735-715 v.Chr.). Achaz was onder grote druk komen te staan door een coalitie van Israël en Aram, die hem dwong om hulp te zoeken bij het machtige Assyrische rijk. Tijdens zijn bezoek aan Damascus om hulde te brengen aan de Assyrische koning Tiglat-Pileser III, zag Achaz daar een indrukwekkend altaar.
De betekenis van het altaar
Het Hebreeuwse woord voor altaar (מִזְבֵּחַ, mizbeach) betekent letterlijk 'plaats van slachting'. Het altaar dat Achaz in Damascus zag, was waarschijnlijk een Assyrisch of Aramese cultusplaats, gebruikt voor heidense offers. Door dit na te laten bouwen in de tempel van Jeruzalem, introduceerde Achaz vreemde religieuze praktijken in het hart van de Israëlitische eredienst.
Priester Uria's rol
Priester Uria (אוּרִיָּה, Uriyah - 'Jahweh is mijn licht') speelt een tragische rol in dit verhaal. Als hogepriester had hij de verantwoordelijkheid om de zuiverheid van de eredienst te bewaken. In plaats daarvan werd hij medeplichtig aan Achaz' afgoderij door het heidense altaar te bouwen volgens de instructies die de koning uit Damascus had gestuurd.