De tekst van 2 Koningen 13:6
2 Koningen 13:6 luidt: "Toch weken zij niet af van de zonden van het huis van Jerobeam, die Israël tot zondigen had verleid; zij bleven daarin wandelen. Ook de gewijde paal bleef staan in Samaria."
Betekenis van sleutelwoorden
De zonden van het huis van Jerobeam verwijst naar de afgodendienst die koning Jerobeam I van Israël had ingevoerd (1 Koningen 12:28-30). Hij liet gouden kalveren maken in Dan en Betel om te voorkomen dat het volk naar Jeruzalem zou gaan voor de tempeldienst. Deze daad wordt in de Bijbel gezien als de grondslag van alle latere afgodendienst in het noordelijke koninkrijk.
De gewijde paal (Hebreeuws: asherah) was een symbool van de Kanaänitische vruchtbaarheidsgodsdienst. Deze paal stond symbool voor de godin Asjera en werd gebruikt in heidense rituelen. Het feit dat deze paal nog steeds in Samaria stond, toont aan hoe diep de afgodendienst was geworteld.
Context in hoofdstuk 13
Dit vers staat in de context van koning Jehoachaz van Israël (814-798 v.Chr.). Ondanks dat God een redder had gestuurd om Israël te bevrijden van de Aramese onderdrukking (vers 5), keerde het volk niet terug tot de Here. Deze paradox toont de tragische hardnekkigheid van de zonde.