Inleiding tot 2 Koningen 13
2 Koningen 13 behandelt een donkere periode in Israëls geschiedenis, waarin twee koningen regeren die 'deden wat kwaad was in de ogen van de HEER'. Toch toont dit hoofdstuk Gods onwankelbare genade en trouw aan Zijn verbondsbeloften.
Jehoahaz, Koning van Israël (vers 1-9)
Jehoahaz, zoon van Jehu, regeert 17 jaar over Israël. Hij volgt het slechte voorbeeld van Jerobeam I door de gouden kalveren te blijven aanbidden. Als gevolg daarvan levert God Israël over aan koning Hazaël van Aram en zijn zoon Ben-Hadad.
De onderdrukking is zo zwaar dat Israëls leger gereduceerd wordt tot slechts 50 ruiters, 10 strijdwagens en 10.000 voetknechten. Dit illustreert hoe zonde tot nationale zwakte en vernedering leidt.
Toch is er hoop: wanneer Jehoahaz tot de HEER roept om hulp, hoort God zijn gebed. Dit toont Gods barmhartigheid - Hij antwoordt zelfs op de gebeden van onvolmaakte leiders wanneer zij zich in nood tot Hem wenden.
Joas, Koning van Israël (vers 10-13)
Joas (ook Joash genoemd) volgt zijn vader Jehoahaz op en regeert 16 jaar. Helaas herhaalt hij dezelfde fouten door vast te houden aan de zonden van Jerobeam. Het patroon van ongehoorzaamheid zet zich voort, wat laat zien hoe zonde van generatie op generatie kan overgaan.