De tekst van 2 Koningen 13:4
2 Koningen 13:4 luidt: "Toen smeekte Joachaz tot de HEERE om genade, en de HEERE luisterde naar hem, want Hij zag hoe zwaar de koning van Aram Israël onderdrukte." Dit vers toont een opmerkelijke wending in het verhaal van koning Joachaz van Israël.
De context van koning Joachaz
Joachaz, de zoon van koning Jehu, regeerde over het noordelijke koninkrijk Israël van ongeveer 814-798 v.Chr. Het vers begint zijn verhaal met de vertrouwde formule: "Hij deed wat kwaad was in de ogen van de HEERE." Joachaz volgde het zondepatroon van Jerobeam, de eerste koning van het noordelijke rijk, door de gouden kalveren te aanbidden in Dan en Betel.
Het gebed van Joachaz
Het Hebreeuwse woord voor "smeekte" is chalah, wat letterlijk betekent "het aangezicht mild stemmen" of "gunst zoeken." Dit suggereert dat Joachaz niet alleen bad, maar zich vernederde voor God. Ondanks zijn jarenlange ongehoorzaamheid, wendde hij zich in zijn nood tot de HEERE.
De onderdrukking door Hazaël en zijn zoon Ben-Hadad van Aram (Syrië) was zo zwaar geworden dat Israëls leger was gereduceerd tot vijftig ruiters, tien wagens en tienduizend voetknechten. In deze wanhopige situatie zocht Joachaz Gods hulp.
Gods reactie: luisteren en zien
Opmerkelijk is dat God "luisterde" naar Joachaz. Het Hebreeuwse shama' betekent niet alleen horen, maar ook gehoor geven en handelen. God reageerde niet omdat Joachaz plotseling rechtvaardig werd, maar uit genade.