De Tekst van 2 Koningen 13:3
2 Koningen 13:3 luidt: 'Daarom ontstak de toorn des HEEREN tegen Israël, en Hij gaf hen in de hand van Hazaël, den koning van Syrië, en in de hand van Ben-Hadad, den zoon van Hazaël, alle die dagen.'
Context en Achtergrond
Dit vers staat in het verhaal over koning Joahas van Israël (814-798 v.Chr.). Vers 2 vertelt ons dat Joahas 'deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN' door de zonden van Jerobeam na te volgen. Vers 3 geeft de directe consequentie weer van deze ongehoorzaamheid.
Betekenis van Belangrijke Woorden
'Daarom' (Hebreeuws: al-ken) toont de directe oorzaak-gevolg relatie tussen zonde en oordeel. Gods toorn is geen willekeurige emotie, maar een rechtvaardige reactie op bewuste rebellie.
'Ontstak de toorn' (Hebreeuws: charah af) beschrijft Gods intense verbolgenheid. In het Hebreeuws betekent dit letterlijk dat Gods 'neus brandde' - een uitdrukking voor rechtvaardige woede.
'Gaf hen in de hand van' is een veelgebruikte Bijbelse uitdrukking die aangeeft dat God andere volken gebruikt als instrument van Zijn oordeel. Het benadrukt Gods soevereiniteit over alle naties.
Hazaël en Ben-Hadad: Instrumenten van Oordeel
Hazaël en zijn zoon Ben-Hadad waren koningen van Aram (Syrië). God gebruikte hen om Israël te kastijden voor hun afgodendienst. Dit toont aan dat God zelfs heidense koningen kan gebruiken om Zijn doeleinden te bereiken.