De tekst van 2 Koningen 13:2
2 Koningen 13:2 luidt: "En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEREN, en hij wandelde in de zonden van Jerobeam, de zoon van Nebat, die Israël had doen zondigen; hij week er niet van af."
Historische context van dit vers
Dit vers beschrijft het begin van de regering van koning Jehoahaz van Israël (ongeveer 815-801 v.Chr.), de zoon van koning Jehu. Jehoahaz regeerde over het noordelijke koninkrijk Israël tijdens een turbulente periode waarin het land onder druk stond van buitenlandse mogendheden, met name Aram (Syrië).
Betekenis van kernbegrippen
"Kwaad in de ogen des HEREN" (Hebreeuws: hara' be'ene YHWH) is een standaardformule die de schrijvers van Koningen gebruiken om koningen te beoordelen die afweken van Gods geboden. Deze uitdrukking benadrukt dat God de ultieme maatstaf is voor goed en kwaad.
"Zonden van Jerobeam" verwijst naar de religieuze hervormingen van Jerobeam I (ongeveer 930-909 v.Chr.), de eerste koning van het gesplitste noordelijke koninkrijk. Jerobeam had gouden kalveren opgericht in Dan en Betel als alternatieve cultusplaatsen voor de tempel in Jeruzalem. Deze daad wordt in de Bijbel gezien als de grondslag voor alle latere afvalligheid in Israël.