De tekst van 1 Koningen 11:2
1 Koningen 11:2 luidt: 'Zij behoorden tot de volkeren waarover de HEER tot de Israëlieten had gezegd: Gij zult niet tot hen ingaan en zij zullen niet tot u ingaan, want zij zouden uw hart zeker doen afwijken naar hun goden toe.'
Betekenis van sleutelwoorden
Het Hebreeuwse woord goyim (גּוֹיִם) betekent 'volkeren' of 'heidenen' en verwijst naar de niet-Israëlitische volken rondom Israël. Het werkwoord yattu (יַטּוּ) betekent 'doen afwijken' of 'verleiden', wat de actieve rol van deze vrouwen in Salomo's geestelijke val benadrukt.
Het woord levav (לְבַב) voor 'hart' duidt in het Hebreeuws niet alleen op emoties, maar op het gehele innerlijke leven - het verstand, de wil en de gevoelens.
Historische en theologische context
Dit vers vormt het hart van Gods waarschuwing die Hij eerder aan Israël had gegeven (Deuteronomium 7:3-4). Het verbod op gemengde huwelijken was niet gebaseerd op rassendiscriminatie, maar op geestelijke bescherming. God kende het risiko van syncretisme - het vermengen van de aanbidding van de ware God met heidense praktijken.
Salomo, ondanks zijn goddelijke wijsheid, overtrad bewust dit gebod. Het ironische is dat degene die de tempel bouwde voor God's aanbidding, uiteindelijk zou toestaan dat vreemde goden werden aanbeden in zijn koninkrijk.