36 kruisverwijzingen gevonden
“Toen zond David tot Joab, zeggende: Zend Uria, den Hethiet, tot mij. En Joab zond Uria tot David.”
Statenvertaling (SV)
Bijbelgedeelten die hetzelfde verhaal of dezelfde gebeurtenis beschrijven.
Bekijk ook de uitleg bij dit vers of lees het in context.
Stel uw vragen aan de BijbelAssistent en krijg uitgebreide antwoorden met verwijzingen naar de grondtalen, commentaren en vergelijkbare teksten.
Stel een vraag over 2 Samuël 11:6Uria, de Hethiet, zeven en dertig in alles.
Toen zeide hij: Wat pand is het, dat ik u geven zal? En zij zeide: Uw zegelring en uw snoer en uw staf, die in uw hand is; hetwelk hij haar gaf, en ging tot haar in; en zij ontving bij hem.
Indien het kwaad in zijn mond zoet is, hij dat verbergt, onder zijn tong,
Uria, de Hethiet; Zabad, de zoon van Ahlai;
Want gij hebt het in het verborgen gedaan; maar Ik zal deze zaak doen voor gans Israel, en voor de zon.
Toen zeide hij: Wat pand is het, dat ik u geven zal? En zij zeide: Uw zegelring en uw snoer en uw staf, die in uw hand is; hetwelk hij haar gaf, en ging tot haar in; en zij ontving bij hem.
Indien het kwaad in zijn mond zoet is, hij dat verbergt, onder zijn tong,
En de vrouw kwam in tot al het volk, met haar wijsheid; en zij hieuwen Seba, den zoon van Bichri, het hoofd af, en wierpen het tot Joab. Toen blies hij met de bazuin, en zij verstrooiden zich van de stad, een iegelijk naar zijn tenten; en Joab keerde...
Hij dan zeide: Ik heb gezondigd; eer mij toch nu voor de oudsten mijns volks, en voor Israel; en keer wederom met mij, dat ik den HEERE, uw God, aanbidde.
Hij dan zeide: Ik heb gezondigd; eer mij toch nu voor de oudsten mijns volks, en voor Israel; en keer wederom met mij, dat ik den HEERE, uw God, aanbidde.
Kanaan nu gewon Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth,
En de vrouw kwam in tot al het volk, met haar wijsheid; en zij hieuwen Seba, den zoon van Bichri, het hoofd af, en wierpen het tot Joab. Toen blies hij met de bazuin, en zij verstrooiden zich van de stad, een iegelijk naar zijn tenten; en Joab keerde...
Toen begon hij zich te vervloeken, en te zweren: Ik ken den Mens niet.
Kanaan nu gewon Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth,
Want gij hebt het in het verborgen gedaan; maar Ik zal deze zaak doen voor gans Israel, en voor de zon.
Maar hij loochende het voor allen, zeggende: Ik weet niet, wat gij zegt.
Maar hij loochende het voor allen, zeggende: Ik weet niet, wat gij zegt.
En hij loochende het wederom met een eed, zeggende: Ik ken den Mens niet.
Uria, de Hethiet; Zabad, de zoon van Ahlai;
En hij loochende het wederom met een eed, zeggende: Ik ken den Mens niet.
Uria, de Hethiet, zeven en dertig in alles.