Inleiding tot Psalm 131
Psalm 131 is een van de kortste psalmen in het hele Bijbelboek, maar tegelijkertijd een van de meest krachtige. Deze psalm, toegeschreven aan koning David, behoort tot de 'Psalmen van Opstijging' (Psalm 120-134) - liederen die gezongen werden tijdens de pelgrimstochten naar Jeruzalem. In slechts drie verzen schetst David een prachtig beeld van ware ootmoed en innerlijke rust.
Vers 1: Ootmoed tegenover God
"O HEERE! mijn hart is niet verheven, en mijn ogen zijn niet hoog; ook heb ik niet gewandeld in dingen mij te groot en te wonderlijk."
David begint met een drievoudige verklaring van ootmoed. Hij spreekt over zijn hart (zijn innerlijke houding), zijn ogen (zijn uitwendige blik) en zijn gedrag (waar hij zich mee bezighoudt). Het Hebreeuwse woord voor "verheven" suggereert trots en arrogantie. David zegt bewust dat hij zich niet verheft boven zijn positie.
Ogen die "hoog" zijn, verwijzen naar een trotse, neerbuigende blik - iemand die op anderen neerkijkt. David heeft geleerd dat ware wijsheid begint bij het erkennen van onze beperkingen. Hij bemoeit zich niet met zaken die zijn verstand te boven gaan - een opmerkelijke houding voor iemand met zoveel macht en verantwoordelijkheid als een koning.
Vers 2: Innerlijke rust als een gespeend kind
"Zo ik mijn ziel niet heb gezet en stil gehouden, gelijk een gespeend kind bij zijn moeder! Mijn ziel is als een gespeend kind in mij."