Inleiding tot Psalm 122
Psalm 122 is een van de vijftien 'pelgrimsliederen' (Psalmen 120-134), ook wel 'liederen van de opgang' genoemd. Deze prachtige psalm van David drukt de diepe vreugde uit die gelovigen ervaren wanneer zij samenkomen om God te aanbidden, en toont ons het belang van gebed voor vrede en welstand.
De vreugde van aanbidding (vers 1-2)
'Ik verheugde mij toen ze tot mij zeiden: Wij gaan naar het huis van de HEER. Onze voeten staan in uw poorten, Jeruzalem.'
David beschrijft hier de intense blijdschap die hij voelde bij de uitnodiging om naar de tempel te gaan. Het woord 'verheugde' in het Hebreeuws (samach) drukt een diepe, innerlijke vreugde uit die het hele wezen doordringt. Deze vreugde ontstaat niet pas bij aankomst, maar al bij de aankondiging van de reis naar Gods huis.
Voor de oude Israëlieten was Jeruzalem niet alleen een geografische bestemming, maar het geestelijke centrum van hun bestaan. De tempeldienst vormde het hart van hun relatie met God. De uitdrukking 'onze voeten staan in uw poorten' toont de vervulling van de verwachting - eindelijk aangekomen op de heilige plaats.
Jeruzalem als eenheidscentrum (vers 3-5)
'Jeruzalem, die gebouwd is als een stad waar alles goed is samengevoegd, waarheen de stammen optrekken, de stammen van de HEER...'