Wat betekent Openbaring 16? Zeven engelen gieten zeven schalen, in de Statenvertaling fiolen, vol van Gods toorn uit: op de aarde (zweren, vers 2), in de zee (vers 3), op de rivieren (vers 4), op de zon (vers 8), op de troon van het beest (duisternis, vers 10), op de Eufraat (vers 12) en ten slotte in de lucht (vers 17). De zesde schaal verzamelt de koningen op de plaats welke in het Hebreeuws genaamd wordt Armageddon (vers 16); de zevende loopt uit op de stem uit de tempel: Het is geschied (vers 17). Tussendoor klinkt in vers 15 een waarschuwing: Zie, Ik kom als een dief. Zalig is hij, die waakt.
Opvallend is wat er niet gebeurt: tweemaal staat er uitdrukkelijk dat de mensen zich niet bekeerden (vers 9 en 11), en het hoofdstuk eindigt ermee dat zij God lasteren om de hagel (vers 21). De oordelen zijn getekend naar de plagen over Egypte, met zweren, water dat bloed wordt, duisternis en hagel; in de uitleg van het einde der tijden worden die vaak naast dit hoofdstuk gelegd, zie de tien plagen. Openbaring 16 telt eenentwintig verzen; het boek heet in het Nederlands ook Openbaringen, zodat u dit hoofdstuk soms als Openbaringen 16 aangeduid ziet. De tekst staat in de Statenvertaling op de leespagina van Openbaring 16. De engelen worden aangekondigd in Openbaring 15.
Inleiding: De Zeven Schalen van Gods Toorn
Openbaring hoofdstuk 16 beschrijft een van de meest dramatische passages uit de hele Bijbel: de uitgieting van de zeven schalen van Gods toorn over de aarde. Dit hoofdstuk vormt het climax van Gods oordeel over een wereldsysteem dat Hem heeft verworpen en het beest heeft aanbeden.