Inleiding: De Zeven Schalen van Gods Toorn
Openbaring hoofdstuk 16 beschrijft een van de meest dramatische passages uit de hele Bijbel: de uitgieting van de zeven schalen van Gods toorn over de aarde. Dit hoofdstuk vormt het climax van Gods oordeel over een wereldsysteem dat Hem heeft verworpen en het beest heeft aanbeden.
Het hoofdstuk toont ons zowel Gods gerechtigheid als Zijn geduld. Na vele waarschuwingen en kansen tot bekering, komt er een moment waarop het oordeel niet meer uitgesteld kan worden.
De Opdracht tot Oordeel (vers 1)
Het hoofdstuk begint met een luide stem uit de tempel die de zeven engelen opdraagt hun schalen vol van Gods toorn over de aarde uit te gieten. Deze stem komt waarschijnlijk van God zelf, wat de ernst en definitieve aard van dit oordeel onderstreept.
De 'schalen' (Grieks: phiale) waren brede, ondiepe kommen die gebruikt werden in de tempeldienst. Het beeld suggereert dat Gods toorn volledig en onomkeerbaar wordt uitgegoten.
De Eerste Vier Schalen (verzen 2-9)
De Eerste Schaal brengt pijnlijke zweren over mensen die het teken van het beest dragen. Dit doet denken aan de zesde plaag van Egypte (Exodus 9:8-12), wat laat zien dat God dezelfde macht heeft als tijdens de uittocht.