Mattheüs 16 in het kort: Jezus weigert de Farizeeën en Sadduceeën een teken (vers 1-4), waarschuwt tegen hun zuurdesem (vers 5-12) en stelt bij Cesarea Filippi de vraag die het hoofdstuk draagt: 'Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben?' (vers 15). Op Petrus' antwoord volgt onmiddellijk de eerste aankondiging van het lijden en de oproep het kruis op te nemen. Hieronder vindt u de uitleg per gedeelte en de tekst in de Statenvertaling en HSV.
Mattheüs 16 lezen in de Statenvertaling en HSV
Het scharnier van het hoofdstuk staat in vers 15 en 16. In de Statenvertaling: 'Hij zeide tot hen: Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben? En Simon Petrus, antwoordende, zeide: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.' Even verder volgt vers 18: 'gij zijt Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen.' De Statenvertaling laat het woordspel staan dat in het Grieks hoorbaar is tussen Petros en petra, steen en rots. De Herziene Statenvertaling (HSV) geeft dezelfde brontekst in hedendaags Nederlands weer. De volledige tekst van het hoofdstuk leest u in de Statenvertaling op Mattheüs 16; over de herziening leest u meer op de pagina over de Herziene Statenvertaling.