Inleiding tot Judas 1
Het boek Judas is een van de kortste boeken in het Nieuwe Testament, maar bevat een krachtige boodschap. Deze brief, geschreven door Judas (waarschijnlijk de broer van Jezus), waarschuwt de eerste christelijke gemeenten tegen valse leraars die het geloof ondermijnen. De brief vermaant gelovigen 'dat gij strijdt voor het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is' (vers 3).
Begroeting en Zegen (verzen 1-2)
Judas begint zijn brief met een warme begroeting 'aan de geroepenen, die door God den Vader geheiligd zijn, en door Jezus Christus bewaard' (vers 1). Deze woorden benadrukken drie belangrijke aspecten van het christelijk geloof: de roeping van God, Zijn heiliging, en de bewaring door Jezus Christus. De zegen 'Barmhartigheid, en vrede, en liefde zij u vermenigvuldigd' (vers 2) toont Gods goedheid jegens Zijn volk.
Het Doel van de Brief (verzen 3-4)
Judas had eigenlijk willen schrijven over de gemeenschappelijke redding, maar voelde zich gedrongen om te schrijven over de verdediging van het geloof. De reden hiervoor is de infiltratie van valse leraars die 'ingeslopen' zijn (vers 4). Deze mensen worden beschreven als 'goddelozen, die de genade onzes Gods veranderen in ontuchtigheid, en de enigen Heerser, God, en onzen Heere Jezus Christus verloochenen'.
Historische Voorbeelden van God's Oordeel (verzen 5-16)
Judas gebruikt drie krachtige voorbeelden uit de Oude Testament om te laten zien hoe God omgaat met rebellie en ongehoorzaamheid: