Gods Tweede Antwoord uit de Storm (Job 40:1-9)
In de Statenvertaling telt Job 40 achtentwintig verzen, en het hoofdstuk opent met Gods tweede toespraak uit het onweder: "En de HEERE antwoordde Job uit een onweder, en zeide: Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij" (Job 40:1-2). Engelse bijbels tellen deze twee verzen als Job 40:6-7.
Gods tussenvraag en Jobs eerste, korte antwoord, die in die Engelse telling als Job 40:1-5 staan, horen in de Statenvertaling bij het slot van Job 39, vers 34 tot 38. U leest ze op de uitleg van Job 39. De ironie is daar voelbaar: Job, die heeft gevraagd om een rechtszaak met God, wordt uitgenodigd om daadwerkelijk te antwoorden, en legt zijn hand op zijn mond.
God is met die erkenning nog niet klaar met Job. In vers 3 tot 9 daagt Hij hem uit te bewijzen dat hij werkelijk rechtvaardig is door zijn eigen macht te tonen: "Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken?" (vers 3). Heeft Job een arm gelijk God, en kan hij met de stem donderen (vers 4)? Kan hij zich versieren met voortreffelijkheid en hoogheid (vers 5), iedere hoogmoedige vernederen en de goddelozen in hun plaats verpletteren (vers 6 en 7)? Pas dan, zegt God, zou Hij Job loven, omdat diens eigen rechterhand hem verlost had (vers 9).
Deze passage benadrukt een kernwaarheid: alleen God heeft de macht en autoriteit om ware rechtvaardigheid uit te oefenen. Jobs verlangen naar rechtvaardiging is begrijpelijk, maar hij mist de macht om dit te bewerkstelligen.