Gods Antwoord Uit de Storm Gaat Verder
Job hoofdstuk 39 vormt de voortzetting van Gods machtige antwoord aan Job uit de storm. Na in hoofdstuk 38 te hebben gesproken over de fundamenten van de aarde en de krachten van de natuur, richt God nu Zijn aandacht op de wilde dieren. Door een reeks retorische vragen toont God Zijn absolute soevereiniteit over alle levende wezens.
De Leeuw en de Raaf (verzen 1-3)
In de Statenvertaling opent Job 39 met twee dieren die Engelse bijbels nog bij Job 38 tellen, als 38:39-41: de leeuw en de raaf. God vraagt: "Zult gij voor den ouden leeuw roof jagen, of de graagheid der jonge leeuwen vervullen?" (vers 1). En even verder: "Wie bereidt de raaf haar kost, als haar jongen tot God schreeuwen, als zij dwalen, omdat er geen eten is?" (vers 3). Roofdier en aaseter worden allebei door God gevoed, buiten het bereik van de mens om.
De Wilde Geit en het Hert (verzen 4-7)
God begint de dierenreeks met een vraag die de grens van Jobs kennis blootlegt: "Weet gij den tijd van het baren der steengeiten? Hebt gij waargenomen den arbeid der hinden?" (vers 4). Deze dieren leven in ontoegankelijke rotsachtige gebieden, ver van menselijke waarneming. God wijst erop dat Hij alleen de precieze timing kent van hun voortplanting en de geboorte van hun jongen. De jongen groeien op in de wildernis, worden sterk en verlaten hun moeders - dit alles gebeurt onder Gods zorgzame oog, zonder menselijke interventie.