Job 3: De Doorbraak van het Zwijgen
In Job hoofdstuk 3 doorbreekt Job eindelijk zijn zeven dagen durende stilzwijgen. Na het verlies van zijn kinderen, zijn bezit en zijn gezondheid, spreekt Job voor het eerst - en zijn woorden zijn verbijsterend. Hij vervloekt niet God, maar wel de dag waarop hij geboren werd.
De Vervloeking van de Geboortedag (verzen 1-10)
Job begint met de dramatische woorden: "Verloren ga de dag waarop ik geboren werd" (vers 3). Dit is geen impulsieve uitbarsting, maar een doordachte klacht in poëtische vorm. Job wenst dat de dag van zijn geboorte uit de kalender zou worden gewist, alsof die dag nooit heeft bestaan.
De beeldspraak die Job gebruikt is krachtig: hij roept de duisternis op om die dag op te slokken, en smeekt vervloekers om die dag te vervloeken. In de Bijbelse tijd werden bepaalde mensen geacht de macht te hebben om effectieve vervloekingen uit te spreken. Job wenst zelfs dat de zeemonsters (Leviathan) zouden opstaan tegen die dag.
Waarom Niet Gestorven bij de Geboorte? (verzen 11-19)
In het tweede deel van zijn klacht vraagt Job waarom hij niet bij de geboorte is gestorven. Hij beschrijft hoe hij dan rust zou hebben gevonden samen met koningen, vorsten en alle anderen die zijn heengegaan. Dit gedeelte toont Jobs verlangen naar vrede en rust.