Het Lied van de Wijngaard (Jesaja 5:1-7)
Jesaja 5 opent met een van de meest indringende gelijkenissen in het Oude Testament: het lied van de wijngaard. De profeet zingt over een wijngaard die met alle zorg is aangeplant op een vruchtbare heuvel. De eigenaar deed alles wat nodig was - hij spielde de grond, plantte edele wijnstokken, bouwde een wachttoren en hieuw een wijnpers uit. Maar in plaats van goede druiven bracht de wijngaard wilde, zure vruchten voort.
Deze gelijkenis is een prachtige illustratie van Gods relatie met Israël. God had Israël uit Egypte bevrijd, hen naar het Beloofde Land gebracht en alle zorg aan hen besteed. Hij verwachtte rechtvaardige vruchten, maar kreeg in plaats daarvan onrechtvaardigheid te zien. De wijngaard vertegenwoordigt het volk Israël, specifiek Juda, zoals vers 7 duidelijk maakt: 'Want de wijngaard van de HEERE der heerscharen is het huis Israëls, en de mannen van Juda zijn zijn geliefde planting.'
De Zes Weeën over Israëls Zonden (Jesaja 5:8-24)
Na de gelijkenis volgen zes 'wee'-uitspraken die specifieke zonden van het volk benoemen:
Hebzucht en Landgierigheid (vers 8-10): Wee degenen die huis aan huis voegen en akker aan akker toevoegen. Deze mensen wilden alle bezit voor zichzelf, zonder rekening te houden met de armen. God waarschuwt dat hun huizen leeg zullen staan.