De Realiteit van Zonde en Scheiding (Jesaja 59:1-2)
Jesaja 59 begint met een krachtige boodschap: het probleem ligt niet bij God, maar bij de mens. 'Ziet, de hand des HEEREN is niet verkort, dat zij niet zou kunnen verlossen; en Zijn oor is niet zwaar geworden, dat het niet zou kunnen horen' (vers 1). God heeft alle macht en wil om te helpen, maar 'uw ongerechtigheden maken een scheiding tussen ulieden en tussen uw God' (vers 2).
Deze opening ontkracht het idee dat God afwezig of onmachtig zou zijn. In plaats daarvan toont het de destructieve kracht van zonde die een barrière opwerpt tussen God en zijn volk.
De Beschrijving van Zonde (Jesaja 59:3-8)
De profeet geeft een gedetailleerde beschrijving van de zonden van het volk. Het volk krijgt te horen: 'Want uw handen zijn met bloed bevlekt; en uw vingeren met ongerechtigheid; uw lippen spreken valsheid, uw tong dicht onrecht' (vers 3).
Vers 4 beschrijft een samenleving zonder rechtvaardigheid: 'Er is niemand, die voor de gerechtigheid roept, en niemand, die voor de waarheid in het gericht zich begeeft.' Dit beeld van morele verval toont hoe zonde niet alleen individueel, maar ook maatschappelijk verwoestend werkt.
De metafoor van vers 5 en 6, 'Zij broeden basiliskus-eieren uit, en zij weven spinnewebben', illustreert hoe zondige plannen tot destructie leiden en geen werkelijke bescherming bieden.
Belijdenis en Ellende (Jesaja 59:9-15a)
In vers 9 verandert de toon naar belijdenis: 'Daarom is het recht verre van ons, en de gerechtigheid achterhaalt ons niet.' Het volk erkent de gevolgen van hun zonden. Ze zeggen: 'Wij tasten naar den wand, gelijk de blinden' (vers 10) en 'Wij brommen allen gelijk als de beren, en wij kirren doorgaans gelijk de duiven' (vers 11) - beelden van verwarring en verdriet.