Inleiding tot Jesaja 53
Jesaja 53 wordt vaak beschouwd als een van de meest verheffende en profetische hoofdstukken in het Oude Testament. Dit hoofdstuk vormt het hart van het vierde 'Knecht-lied' van Jesaja (52:13-53:12) en beschrijft op opmerkelijke wijze het lijden en de verheerlijking van Gods Knecht. Voor christenen wereldwijd is dit hoofdstuk van bijzondere betekenis vanwege de treffende overeenkomsten met het leven en sterven van Jezus Christus.
De Verachte en Verwonde Knecht (verzen 1-3)
Het hoofdstuk begint met de verbaasde vraag: 'Wie heeft geloofd wat wij hebben gehoord?' Deze retorische vraag benadrukt hoe onverwacht en ongelofelijk Gods reddingsplan is. De Knecht wordt beschreven als iemand die opgroeit als een jonge scheut uit dorre grond - een beeld van nederigheid en onaanzienlijkheid.
De profeet tekent een portret van iemand die geen indrukwekkende verschijning heeft, geen schoonheid die de ogen bekoort. Integendeel, Hij wordt veracht en door mensen verstoten, 'een man van smarten, vertrouwd met lijden'. Deze beschrijving contrasteert scherp met menselijke verwachtingen van een machtige verlosser.