Jeremia's Moedige Tempelrede (Jeremia 26:1-6)
Jeremia hoofdstuk 26 opent met een dramatische scène in de tempelvoorhof van Jeruzalem. In het begin van koning Jojakims regering krijgt Jeremia de opdracht van God om te spreken tot alle inwoners van Juda die naar de tempel komen. De boodschap is helder maar confronterend: bekering of vernietiging.
De profeet moet het volk waarschuwen dat God de tempel zal verwoesten zoals Hij deed met het heiligdom in Silo, als zij niet luisteren naar Zijn woorden en zich bekeren van hun slechte wegen. Dit is een revolutionaire uitspraak, want de tempel werd beschouwd als Gods onverwoestbare woning op aarde.
Woedende Reactie van Priesters en Volk (Jeremia 26:7-9)
De reactie laat niet lang op zich wachten. Priesters, profeten en het gewone volk worden woedend over Jeremia's woorden. Zij kunnen niet accepteren dat iemand durft te beweren dat de heilige tempel vernietigd zou kunnen worden. Voor hen is dit godslastering van de ergste soort.
De menigte grijpt hem en roept: 'Gij zult den dood sterven!' (vers 8) Hun religieuze zekerheid wordt bedreigd door Gods waarheid. Ze willen Jeremia het zwijgen opleggen door hem te doden. Dit toont hoe mensen soms zo vast kunnen zitten in hun religieuze tradities dat ze Gods werkelijke boodschap afwijzen.
Rechtszaak en Verdediging (Jeremia 26:10-16)
Wanneer de vorsten van Juda horen wat er gebeurt, houden zij een rechtszaak bij de ingang van de tempel. Jeremia krijgt de kans zich te verdedigen. Moedig verklaart hij dat God hem heeft gezonden met deze boodschap. Hij voegt eraan toe dat als zij hem doden, zij onschuldig bloed over zichzelf brengen.