Inleiding tot Jeremia 27
Jeremia hoofdstuk 27 bevat een van de meest opvallende symbolische handelingen in het Oude Testament. God beveelt de profeet Jeremia om een juk te dragen als waarschuwing dat Juda en de omringende volken zich moeten onderwerpen aan de Babylonische koning Nebukadnessar. Dit hoofdstuk speelt zich af rond 594/593 v.Chr., tijdens de regering van koning Sedekia van Juda.
Het Symbolische Juk (Jeremia 27:1-2)
God geeft Jeremia de opdracht om "banden en jukken" te maken en deze om zijn nek te dragen. Het juk was een houten constructie die gebruikt werd om ossen aan elkaar te koppelen tijdens het ploegen. Door dit symbool te gebruiken, maakt God duidelijk dat onderwerping aan Babylon onvermijdelijk is. De profeet moet letterlijk uitbeelden wat geestelijk en politiek moet gebeuren: buigen voor Gods oordeel door middel van Babylon.
Boodschap aan de Omringende Volken (Jeremia 27:3-11)
Jeremia zendt boodschappen naar de koningen van Edom, Moab, Ammon, Tyrus en Sidon via hun gezanten die in Jeruzalem zijn. De boodschap is helder: God heeft alle landen en volkeren aan Nebukadnessar gegeven. Wie zich verzet tegen Babylon, verzet zich tegen Gods wil en zal worden weggevaagd door "zwaard, hongersnood en pest".