De Symbolische Handeling met de Kruik (verzen 1-13)
Jeremia 19 begint met een opvallende opdracht van de HEERE aan de profeet Jeremia. Hij moet een aarden kruik kopen en enkele ouderlingen en priesters meenemen naar het dal van Ben-Hinnom, bij de ingang van de Schervenpoort. Deze locatie is niet toevallig gekozen - het dal van Hinnom was berucht als de plaats waar kinderoffers werden gebracht aan heidense goden.
De Aanklacht tegen Juda
In dit dal spreekt Jeremia Gods oordeel uit over Juda en Jeruzalem. De aanklacht is zwaarwegend: het volk heeft de HEERE verlaten, deze plaats ontheiligd door er kinderen aan vreemde goden te offeren, en onschuldig bloed vergoten. Deze gruwelijke praktijken waren direct in strijd met Gods geboden en toonden de totale morele verval van het volk.
De verwijzing naar Baäl en andere goden laat zien hoe ver Juda was afgedwaald van de ware godsdienst. Wat eens een heilig volk was, had zich overgegeven aan de walgelijke praktijken van omringende heidense volkeren.
De Profetie van Vernietiging
God kondigt aan dat Hij deze plaats en stad zal verwoesten. Jeruzalem zal worden als Tofet - een naam die verwijst naar de plaats van verbranding in het dal van Hinnom. De stad zal zo grondig vernietigd worden dat er geen plaats meer is om de doden te begraven. Dit voorspelt de komende Babylonische invasie en de vernietiging van de tempel in 586 v.Chr.