Inleiding tot Hosea 7
Hosea hoofdstuk 7 toont ons een hartverscheurend beeld van Gods verlangen naar herstel van zijn volk, terwijl Israël steeds weer terugvalt in zonde en halfslachtige toewijding. De profeet gebruikt krachtige beelden om de geestelijke toestand van het noordelijke koninkrijk te beschrijven.
Gods Verlangen naar Herstel (vers 1-2)
Het hoofdstuk begint met Gods woorden: "Terwijl Ik Israel genees, zo wordt Efraims ongerechtigheid ontdekt, mitsgaders de boosheden van Samaria" (vers 1). God wil zijn volk genezen, maar telkens wanneer Hij dat probeert, komt hun zonde weer aan het licht. Ze plegen bedrog, stelen en roven. Het tragische is dat ze niet beseffen dat God al hun daden gadeslaat en onthoudt.
Dit vers toont Gods hartverscheurende dilemma: zijn liefde wil genezen, maar hun voortdurende zonde maakt dit onmogelijk. Het is alsof een arts een patiënt wil genezen, maar de patiënt weigert de medicijnen in te nemen.
Corruptie van Leiders (vers 3-7)
Hosea beschrijft hoe het volk en hun leiders samen schuldig zijn aan corruptie: "Zij verblijden den koning met hun boosheid, en de vorsten met hun leugenen" (vers 3). De koning en zijn hof worden niet aangespoord tot rechtvaardigheid, maar tot meer zonde.
De profeet gebruikt het beeld van een baker die het vuur opstookt. Net zoals een baker doorlopend het vuur aanwakkert voor het brood, zo houden de mensen hun hartstochten voor zonde brandende. Dit resulteert in politieke instabiliteit - koningen vallen en er is niemand die tot God roept.