Genesis 24 is met 67 verzen het langste hoofdstuk van Genesis en vertelt een doorlopend verhaal: Abraham stuurt zijn oudste knecht terug naar zijn familie in Mesopotamië om daar een vrouw te zoeken voor zijn zoon Izak, en die knecht vindt bij de waterput Rebekka. Gebed, teken en vervulling volgen elkaar binnen enkele verzen op.
De knecht zweert met zijn hand onder de heup van zijn heer (vers 2) dat hij geen Kanaänitische schoondochter zal meebrengen, maar naar Abrahams eigen maagschap zal reizen (vers 3 en 4). Bij de put in Mesopotamië bidt hij om een concreet teken (vers 12 tot 14), en nog voor hij is uitgesproken komt Rebekka met haar kruik aanlopen. De volledige tekst leest u in de Statenvertaling op Genesis 24; over de zoon om wie het draait staat meer op de pagina over Izak.
De Statenvertaling schrijft kemelen waar nieuwere vertalingen kamelen hebben, en spreekt van de knecht, wiens naam in dit hoofdstuk nergens genoemd wordt. Wilt u de bewoording van de Herziene Statenvertaling ernaast leggen, dan leest u op de pagina over de Herziene Statenvertaling waarin die vertaling verschilt.
Genesis 24 vers voor vers: de meest opgezochte verzen
Vers 2 tot 4 - de eed. 'Leg toch uw hand onder mijn heup' (vers 2) is een oude vorm van zweren, verbonden aan het nageslacht. De opdracht luidt: geen vrouw uit de dochteren der Kanaänieten (vers 3), maar 'naar mijn land, en naar mijn maagschap trekken, en voor mijn zoon Izak een vrouw nemen' (vers 4).