Inleiding tot Genesis 22
Genesis 22 bevat een van de meest ingrijpende verhalen uit de hele Bijbel: Gods opdracht aan Abraham om zijn zoon Isaak te offeren. Dit hoofdstuk, vaak 'de Aqedah' genoemd (het binden van Isaak), toont ons de diepte van geloof en Gods ultieme voorzienigheid.
De Test Begint (Genesis 22:1-2)
Het hoofdstuk begint met de woorden 'En het geschiedde na deze dingen, dat God Abraham verzocht' (vers 1). Het Hebreeuwse woord 'nasah' betekent testen of beproeven, niet verleiden tot het kwaad. God wist al wat Abraham zou doen, maar de test was bedoeld om Abraham's geloof te openbaren en te versterken.
De opdracht is hartverscheurend: 'Neem nu uw zoon, uw enige, dien gij liefhebt, Izak, en ga heen naar het land Moria, en offer hem aldaar tot een brandoffer, op een van de bergen, dien Ik u zeggen zal' (vers 2). Elke beschrijving van Isaak maakt de opdracht zwaarder: 'uw zoon', 'uw enige', 'dien gij liefhebt'.
Abraham's Gehoorzaamheid (Genesis 22:3-10)
Abraham aarzelt niet. Vroeg in de morgen maakt hij zich gereed voor de reis naar Moriah (later de locatie van de tempel in Jeruzalem). De details tonen zijn vastberadenheid: hij hakt hout, zadelt zijn ezel en neemt twee knechten en Isaak mee.
De reis duurt drie dagen - drie dagen waarin Abraham worstelt met Gods opdracht. Op de derde dag ziet hij de plaats van verre. Hij laat de knechten achter met de profetische woorden: 'als wij aangebeden zullen hebben, dan zullen wij tot u wederkeren' (vers 5) - een teken van zijn geloof dat God een uitweg zal bieden.