Inleiding tot Ezechiel 35
Ezechiel hoofdstuk 35 bevat een krachtige profetie tegen Edom, het volk dat afstamde van Esau, Jakobs broer. Deze profetie richt zich specifiek tegen de 'berg Seir', het bergachtige gebied waar de Edommieten woonden, ten zuidoosten van het Dode Zeezeer. Het hoofdstuk toont Gods rechtvaardig oordeel over een volk dat zich schuldig heeft gemaakt aan voortdurende vijandschap jegens Gods uitverkoren volk.
De Aanklacht tegen Edom (verzen 1-9)
God draagt de profeet Ezechiel op om zijn aangezicht te richten tegen de berg Seir en te profeteren over de komende verwoesting. De kern van Gods aanklacht is duidelijk: "omdat gij eeuwige vijandschap koestert" (vers 5). Deze eeuwige vijandschap verwijst naar de diepe wortels van conflict die teruggingen tot de tweelingbroers Esau en Jakob.
De Edommieten hadden de Israëlieten 'aan het zwaard overgeleverd ten tijde van hun nood' (vers 5). Dit verwijst naar Edoms handelen tijdens de Babylonische invasie van 586 v.Chr., toen zij profiteerden van Jeruzalems val in plaats van hun 'broedervolk' te helpen. Hun gedrag was des te verwerpelijker omdat zij bloedverwanten waren.
Edoms Zonden Nader Bekeken (verzen 10-15)
Het hoofdstuk onthult de specifieke zonden van Edom: