Inleiding tot Ezechiël 29
Ezechiël 29 markeert het begin van een reeks profetieën tegen Egypte (hoofdstukken 29-32). Deze profetie werd gegeven op de tiende dag van de tiende maand van het tiende jaar, wat overeenkomt met januari 587 v.Chr., kort voor de val van Jeruzalem.
De Krokodil in de Nijl (verzen 1-5)
God spreekt door Ezechiël tegen Farao, koning van Egypte, die wordt voorgesteld als een grote krokodil die in de Nijl ligt. Deze metafoor is bijzonder krachtig, omdat de krokodil in het oude Egypte werd gezien als een symbool van kracht en goddelijke macht. Farao's woorden "De Nijl is van mij, ik heb hem gemaakt" (vers 3) tonen zijn arrogantie en aanspraak op goddelijke macht.
De profetie kondigt aan dat God deze 'krokodil' zal vangen met haken en hem op het droge land zal werpen, waar hij ten prooi zal vallen aan wilde dieren. Dit beeldt de totale vernedering van Egypte's macht voor.
Egypte als Gebroken Rietstok (verzen 6-9)
In verzen 6-9 wordt Egypte vergeleken met een rietstok waarop Israël leunde, maar die brak en hun hand verwondde. Deze metafoor verwijst naar Israëls politieke allianties met Egypte. Telkens wanneer Israël op Egypte vertrouwde voor militaire steun tegen Assyrië of Babylon, werd het teleurgesteld.
De rietstok was een bekend beeld in het oude Nabije Oosten voor onbetrouwbare bondgenoten. Egypte had Israël meermaals beloofd te helpen, maar liet hen in de steek wanneer het erop aankwam.