Inleiding tot Ezechiel 26
Ezechiel 26 bevat een krachtige profetie tegen de stad Tyrus, een van de belangrijkste handelssteden in de oudheid. Dit hoofdstuk toont Gods soevereiniteit over alle naties en Zijn gerechtigheid jegens hoogmoed en onrecht.
De Aanklacht tegen Tyrus (vers 1-2)
Het hoofdstuk begint met een datering: 'In het elfde jaar, op de eerste dag van de maand.' Dit verwijst naar het jaar dat Jeruzalem viel (587/586 v.Chr.). Tyrus reageerde op deze val met vreugde en zei: 'Mooi! De poort der volken is gebroken; nu valt alles mij ten deel; nu zij verwoest is, zal ik welvaart hebben.'
Deze reactie onthult het hart van Tyrus: pure eigenbelang en gebrek aan medelijden. De stad zag Jeruzalems ondergang als een zakelijke kans om meer handel naar zich toe te trekken. Dit gebrek aan empathie en de hebzuchtige houding vormden de basis voor Gods oordeel.
Gods Antwoord: Het Oordeel Aangekondigd (vers 3-6)
God reageert direct op Tyrus' houding: 'Daarom, zo zegt de Here HERE: Zie, Ik kom tegen u op, Tyrus!' Het oordeel wordt beschreven als golven die tegen de rotsen slaan - vele naties zullen tegen Tyrus optrekken zoals de zee zijn golven opwerpt.
De profetie voorspelt dat Tyrus' muren zullen worden afgebroken, haar torens zullen vallen, en de stad zal worden als een kale rots waarop vissers hun netten spreiden. Deze beelden benadrukken de totale vernietiging die over de eens zo machtige stad zou komen.