Inleiding tot Ezechiël 25
Ezechiël hoofdstuk 25 markeert een belangrijk keerpunt in het boek van de profeet Ezechiël. Na de uitgebreide oordelen over Jeruzalem en Juda in de voorgaande hoofdstukken, richt de profeet zich nu op de heidennaties rondom Israël. Dit hoofdstuk bevat vier korte maar krachtige oordelen tegen Israëls buren: Ammon, Moab, Edom en de Filistijnen.
De centrale boodschap is duidelijk: God houdt toezicht over alle volken en zal rechtvaardige vergelding brengen over degenen die zich verheugen in Israëls ongeluk en vijandschap tonen tegen Zijn uitverkoren volk.
Het Oordeel over Ammon (verzen 1-7)
De Ammonieten, afstammelingen van Lot, woonden ten oosten van de Jordaan. Hun hoofdstad was Rabba (het huidige Amman). Ezechiël kondigt hun oordeel aan omdat zij zich verheugen over de ontheiliging van Gods heiligdom, de verwoesting van Israël en de ballingschap van Juda.
God zal hen overleveren aan de "kinderen van het oosten" - waarschijnlijk nomadische Arabische stammen. Hun steden zullen tot weidegrond worden, en zij zullen beseffen dat de HEERE God is. Deze profetie werd vervuld toen Nebukadnezar later ook Ammon veroverde.
Het Oordeel over Moab (verzen 8-11)
Moab, eveneens afkomstig van Lot, lag ten zuidoosten van de Dode Zee. Hun zonde bestond erin dat zij zeiden: "Zie, het huis van Juda is gelijk alle heidennationen." Deze uitspraak ontkende Israëls bijzondere positie als Gods uitverkoren volk.