Gods Roeping van Ezechiel (Ezechiel 2:1-2)
Ezechiel hoofdstuk 2 begint met een krachtige oproep van God aan Ezechiel: 'Mensenkind, sta op uw voeten, en Ik zal met u spreken' (vers 1). Deze aanspreekvorm 'mensenkind' (ben adam in het Hebreeuws) wordt maar liefst 93 keer gebruikt in het boek Ezechiel. Het benadrukt zowel Ezechiels menselijke zwakheid als zijn bijzondere roeping als Gods woordvoerder.
De Geest van God komt in Ezechiel en helpt hem overeind te staan. Dit toont aan dat profetische dienst niet op eigen kracht kan worden volbracht. Gods Geest geeft de kracht en het vermogen om Zijn boodschap te verkondigen.
De Zending naar het Rebelse Israël (Ezechiel 2:3-5)
God zendt Ezechiel 'tot de kinderen Israëls, tot de rebellerende volken, die tegen Mij gerebelleerd hebben' (vers 3). Het volk Israël wordt hier beschreven als hardnekkig rebels - zij en hun vaderen hebben gezondigd tot op de dag van Ezechiels roeping.
De beschrijving van Israël als 'hard van aangezicht, en stijf van hart' (vers 4) illustreert de ernst van hun geestelijke toestand. Ondanks Gods trouw en geduld hebben zij zich tegen Hem gekeerd. Dit geeft context aan waarom het oordeel over Israël zo zwaar zou zijn.
Ezechiel krijgt de opdracht om te zeggen: 'Zo zegt de Heere HEERE!' (vers 4). Of het volk nu luistert of niet luistert, zij zullen weten dat er een profeet onder hen is geweest. Gods Woord zal niet zonder resultaat blijven.
Waarschuwing tegen Vrees (Ezechiel 2:6-7)
God waarschuwt Ezechiel drie keer om niet bang te zijn: 'Vrees niet voor hen en vrees niet voor hun woorden.' Het profetische ambt brengt altijd tegenstand met zich mee. Ezechiel zal te maken krijgen met 'wederwilligen en doornen', en hij woont 'bij schorpioenen' (vers 6).