Inleiding: Een Profeet in Ballingschap
Ezechiël 1 opent met een van de meest indrukwekkende en mysterieuze visioenen in de hele Bijbel. In het vijfde jaar van de ballingschap van koning Jojachin ziet de priester-profeet Ezechiël aan de rivier Kebar in Babylonië een overweldigende openbaring van Gods heerlijkheid. Dit hoofdstuk markeert het begin van Ezechiëls profetische bediening tijdens een van de donkerste periodes in Israëls geschiedenis.
Het Visioen van de Vier Levende Wezens (vers 4-14)
Uit het noorden komt een geweldige stormwind met een grote wolk, omgeven door een stralend vuur. In het midden van dit vuur verschijnen vier levende wezens met een menselijke gestalte, maar elk met vier gezichten: een mensengezicht, een leeuwengezicht, een runderaanzicht en een adelaarsgezicht. Deze wezens, later geïdentificeerd als cherubim (hoofdstuk 10), symboliseren verschillende aspecten van Gods schepping: de mens (wijsheid), de leeuw (kracht), de os (dienstbaarheid) en de adelaar (snelheid/transcendentie).
Elk wezen heeft vier vleugels - twee waarmee ze vliegen en twee waarmee ze hun lichaam bedekken. Hun voeten glanzen als gepolijst brons, en ze bewegen zich met bliksemsnelle snelheid. Dit visioen toont Gods volmaakte en almachtige natuur, waarbij Hij gebruik maakt van Zijn schepping om Zijn heerlijkheid te openbaren.