Inleiding tot Ezechiel 19
Ezechiel 19 vormt een van de meest poëtische en emotioneel geladen hoofdstukken in het boek Ezechiel. Het hoofdstuk is geschreven als een qinah, een traditioneel Hebreeuws klaaglied, en richt zich op de tragische val van de koningen van Juda. Door middel van krachtige beeldspraak van leeuwen en wijnstokken beschrijft Ezechiel het einde van de Davidische dynastie en de ondergang van het koninkrijk Juda.
Het Klaaglied van de Leeuwin (verzen 1-9)
Het eerste deel van dit klaaglied (verzen 1-9) presenteert het beeld van een leeuwin en haar welpen. De leeuwin symboliseert waarschijnlijk de koningin-moeder van Juda, mogelijk Hamutal of Nehushta, die verschillende koningen ter wereld bracht. De 'welpen' vertegenwoordigen haar koninklijke zonen.
De eerste welp (verzen 3-4) wordt groot en leert 'prooi verscheuren' en 'mensen verslinden'. Dit verwijst waarschijnlijk naar koning Jehoahaz, die slechts drie maanden regeerde voordat hij door farao Necho naar Egypte werd weggevoerd (2 Koningen 23:31-33). De beschrijving van zijn gevangenschap 'met haken' en transport naar Egypte bevestigt deze interpretatie.
De tweede welp (verzen 5-9) groeit eveneens op tot een jonge leeuw en veroorzaakt verwoesting. Deze lijkt te verwijzen naar koning Jojachin (ook wel Konia genoemd), die na een korte regeerperiode door Nebukadnezar naar Babylon werd weggevoerd. Het vers spreekt van 'haken' en 'kooien', wat de gevangenschap en deportatie naar Babylon beschrijft.